
Met hun was het altijd wouzig goed, geen tijd om naar huis te gaan.
Het merendeel van de tijd spendeerde we rondom het Kempke. Bij de ruine van het kasteel maar ook de watermolen lag zeer in onze intresse, het was een puinhoop daar met goeie verassingen. Je moest wel uitkijken dat je niet gesnaaid werd door een of andere oudere in de molen, ten strengste verboden om je daar op te houden. Op een gegeven moment stond er een aanhangwagen voor de watermolen waar Nollie, Pier en ik binnengingen en hier tientallen kaarsen aantroffen. Een van ons kwam met het verhaal dat er in de oorlog niet veel te eten was, dat mensen zelfs kaarsen aten om te overleven. Jaa dit was de kans omdat ook eens uit te proberen, zogezegd zo gedaan, zo volgden er enkele woensdagmiddagen die we opofferden aan het oorlogsgevoel om ook kaarsen te eten. We voelden ons een met de mensen die dit ook gedaan hadden om te overleven en het smaakte niet al te slecht. Ook hadden we gehoord van tulpenbollen die werden gegeten tijdens de oorlog, we hadden geen idee hoe we hieraan moesten komen, dus lieten we dat idee nog effe liggen voor de toekomst.
Op een zekere woensdagmiddag introduceerde Nollie ons met Eric van Hoogduin, dit was iemand uit Holland die nu in Nollie’s straat woonde. Aangezien Eric uit de stad kwam werd het eens tijd dat we hem lieten kennis maken met het bos. Wat je daar allemaal uit kon spoken enzo, met bomen, hutten maken en nog veel meer van die dingen. Het was wel apart dat Eric echt geen woord Baarloos sprak. Dat maakte hem behoorlijk exotisch. Maar op de een of andere manier vond ik hem er ook behoorlijk grof uitzien, niets iets wat bij de stadsmensen hoorde. Bij een van onze favoriete plekken aangekomen, achter kasteel de Raay, werd er meteen in bomen geklomen en gerend, gegraven en gespeeld. Opeens begon Eric te roepen dat hij iets gevonden had. Dat we moesten komen kijken. Wij er meteen naar toe, waar we zagen dat hij in een boom was geklommen, we vroegen wat hij gevonden had dan. Hij schreeuwde het uit; Aaaapieees. Wij keken ons aan en dachten die is niet goed wijs, ik klom ook in de boom om het te controleren en begon keihard te lachen. Hahahahhaa het zijn eekhoorntjes. Aaapieees we hebben dat nog lang tegen hem kunnen zeggen.

De maas was ook behoorlijk populair om naar toe te gaan. Aan de kant lag altijd veel plastic, hout en papier om te verbranden. Op een dag had een van ons lucifers van thuis meegenomen om aldaar een fik te stichten. De kunst was om een plastic fles om een stok te laten smelten. Maar meer hypnotisch tijdens dit proces was het geluid dat van het smeltend plastic afkwam. Een hoog iieezz geluid. En als je de stok sterk bewoog vloog het gesmolten plastic ervanaf en gaf nog een harder geluid. Aldus super kicke. Met als resultaat dat ik met een nieuw trainigsvest aan de rechtse kant onder de gesmolten plastic zat, aaaay aaay aay. Het kwaad was al geschiede en ja ik kon me al verzinnen wat me thuis stond te wachten, hmmmm. Terug naar huis lopend hadden we alweer een nieuw plan. In het midden van een wei stond een stro-hooischuur. Aangekomen en geinspecteerd wat er zoal in de schuur aanwezig was hadden we het geluk dat het stro was dat erin was opgeslagen lag. Daarmee zouden we eens een fantastische fik kunnen maken. Dat brand natuurlijk heel wat beter dan hooi. We dachten om heel groot S.O.S. met stro te schrijven en dit in vuur en vlam te zetten. Hierna zouden we dan gaan zwaaien met de armen om te wachten tot een vliegtuig of helicopter ons zou zien en landen natuurlijk. Het was een goeie fik, het waren enorme letters. Helaas die dag vlogen er geen vliegtuigen of helicopters over zodat we niet gered konden worden. En wonder boven wonder we werden niet gesnaaid tijdens deze actie. Wat enige minuten later wel gebeurde toen we in een electriciteitmast klommen. We waren amper in de mast geklommen of een van de grote jongens van Görtz kwam aangerend dat we als de sodemieter uit die mast moesten komen. Of we niet goed wijs en levensmoe waren? Maar het echte dreigement was iets intensiever. Als hij ons nog een keer in die mast zou zien zou hij onze handen afhakken. Slik dat was niet zomaar iets. Hij zei dat hij ons allemaal van naam kon, met name Nollie die kwam uit dezelfde buurt aaaaay aay aaaaay. En toen naar huis, genoeg opwinding voor een dag. Zou die jongen van Görtz onze ouders al geinformeerd hebben? Nooit niets meer van gehoord, pffff. Een andere dag aan de maas vond ik een bijzondere medaille, het was een hakenkruis. Ik had dit in de kast van mijn slaapkamer gelegd. Tot op een gegeven dag Moeders de medaille vond en tegen me zei dat ik dat in de afvalbak moest gooien, direct. Geen discussie mogelijk, ik begreep het meteen, serieuze shit. Weg ermee.
Op een zaterdagmorgen zou ik Pier thuis afhalen. Dit gebeurde niet zo vaak dat ik daar kwam in het weekend. Om half 11 zou ik daar moeten zijn. Ik kwam voor een gesloten deur te staan. Op het moment dat ik me wilde omkeren stond Pier voor de achterdeur. Hij maakte de deur open met de melding dat hij net uit bed kwam. Ik kon mijn oren niet geloven om half 11 nog in bed liggen???? Wie ligt er nu zolang in bed. Waarna ik vroeg waar zijn ouders waren, die lagen ook nog steeds in bed. Dit kon ik echt niet bevatten, zo’n situatie was me helemaal onbekend. Voor lange tijd als ik naar de klok keek en zag dat het rond half elf was dacht ik verward aan Pier en zijn ouders, die liggen nog te pitten.